logo SZH

Gebied van oorsprong van de Nederlandse rassen

Verreweg de meeste landschappen in Nederland zijn cultuurlandschappen met een lange of minder lange geschiedenis en een streekeigen identiteit. Dit cultureel erfgoed heeft vaak een grote variatie aan planten, bomen, struiken en heide. In die streken ontstonden verschillende typen vee doordat de dieren zich aanpasten aan de leefomstandigheden, het klimaat, grondsoort en vegetatie of aan de eisen van de houders. Dit zorgde voor een grote biodiversiteit onder het vee. Zo behoren niet alleen de oorspronkelijke typen (later rassen genoemd) maar ook de diversiteit ervan tot ons cultureel erfgoed. Maar ook omgekeerd zijn deze landschappen vaak ontstaan door begrazing met die oorspronkelijke rassen. Die landschappen en streekeigen rassen beïnvloeden elkaar en horen bij elkaar, zoals het Veluwse heideschaap op de Veluwe.

Beleving van cultuurlandschap

Streekeigen rassen maken deel uit van de cultuur en de identiteit van een regio. Herkenning van bepaalde streekrassen in het gebied van hun herkomst is belangrijk voor de beleving van het cultuurlandschap. Zeker als dit aansluit bij de historische manier van beweiden.

Een combinatie van begrazing door een ras en streekproducten van dat ras versterken de beleving van het cultuurlandschap in een regio. Zo wordt de herkenning van Drenthe groter als ham van Drentse heideschapen te koop is of geserveerd wordt in de buurt van de Drentse heide waar de kudde loopt. Dat maakt beleving en de bewustwording in Drenthe te zijn sterker.

Invloed van streekeigen rassen op natuur

In natuurgebieden zijn veel levensgemeenschappen geheel of gedeeltelijk door begrazing (met de oude rassen van landbouwhuisdieren) ontstaan. Zeldzame en/of bedreigde plant- en diersoorten maar ook de totale soortenrijkdom en variatie aan vegetatietypen bepalen de natuurwaarden van een gebied. Begrazing door diezelfde rassen houdt die natuurwaarden in stand.

Een strakke koppeling van rassen aan cultuurhistorische terreindoelen draagt ook bij aan het geven van inzicht in de doelstelling voor het terrein. Het onderscheid dat ook niet-deskundigen kunnen maken tussen bepaalde schapen en runderrassen kan helpen om de veel minder zichtbare keuzes voor een bepaalde vorm van beheer inzichtelijk te maken. Door consequent te zijn in keuzes voor bepaalde rassen of soorten wordt het duidelijk dat het een cultuurhistorisch landschap betreft.

Een gerichte inzet van bepaalde rassen kan niet alleen de beleefbaarheid van een bepaald gebied vergroten maar ook de waardering ervoor. In cultuurhistorische gebieden voegt het gebruik van streekeigen rassen zoals Drentse of Veluwse heideschapen of Mergelland schapen. Brandrode runderen of Groninger blaarkoppen waarde toe aan het landschap.

Behoud genetische diversiteit

Naast het inzichtelijk maken van de beheerkeuze en het vergroten van de beleefbaarheid van het landschap draagt het inzetten van historische landbouwrassen ook bij aan behoud van genetische diversiteit van ons levend erfgoed. Streekeigen rassen bezitten vaak eigenschappen die in het reguliere gebruiksvee niet meer aanwezig zijn door de sterke selectiedruk op de huidige productiedoelstellingen. Oorspronkelijke rassen zijn vaak op andere kenmerken gefokt, zoals het kunnen leven op relatief voedselarme grond of winterhardheid.

Nederland kent van oudsher een aantal rassen die typerend zijn voor een bepaalde regio en daarnaast rassen die speciaal op landgoederen gehouden werden, Bepaalde schapenrassen deden het goed op de heidegronden en iedere streek had zijn eigen kippenras. Aan de paarden die in de landbouw gebruikt werden, was te zien of het een streek betrof met lichte zandgronden of met zware klei. Het paardenras dat op de klei werkte was zwaarder gebouwd dan bijvoorbeeld het lichtgebouwde Gelderse paard dat voornamelijk op zandgronden ingezet werd. Hoewel de meeste rassen verbonden zijn met een specifieke streek, kwamen sommige rassen in heel Nederland voor.

Rassen kenmerkend voor heel Nederland

De oorspronkelijke verspreiding van het zwartbonte Fries-Hollands vee omvatte bijna geheel Nederland, maar het kwam minder vaak voor in de gebieden waar Maas-, Rijn- IJsselvee (MRIJ vee) gehouden werd zoals het rivierengebied, Noord Brabant, Limburg en Salland.

Naar men aanneemt kwam de Nederlandse landgeit vrijwel in geheel Nederland voor. Hoewel het zwaartepunt van de verspreiding op de zandgronden lag (Brabant, Drenthe en Overijssel) kwam dit ras ook de rest van Nederland voor. Het is een sober ras en landgeiten doen het ook goed op minder vette gronden. In de kustgebieden, vooral Holland en Zeeland, werden meestal ongehoornde bonte geiten gehouden. Geiten waren gemakkelijk te houden en voorzagen het gezin van melk en vlees. De geit werd ook wel de koe van de arme genoemd.

Van de hondenrassen die een speciale functie hadden rondom de boerderij werd de Hollandse Herder als hoeder van vee en als erfhond benut en het Kooikerhondje als werkhond in de eendenkooi. Beide rassen zijn al eeuwen oud en men ziet ze ook vaak afgebeeld op oude schilderijen. De Hollandse smous werd in de negentiende eeuw vooral gebruikt als rattenvanger in paardenstallen in grote steden. Het was het hondje dat meeliep met de koets. De Schapendoes heeft nog niet zo’n lange geschiedenis. Rond 1900 zag men dit ras rondom de heidevelden, waar deze honden als herdershonden vooral een rol hadden. Het oudste schilderij met een schapendoes is uit de 19e eeuw.

In de waterrijke gebieden in Nederland werd vroeger het Kwakertje ingezet om wilde eenden te lokken. Dit kleine eendenras is minstens 150 jaar bekend. Sierduivenrassen zijn talrijk in Nederland. Die werden meegenomen op de koopvaardij schepen vanuit het Oosten. Daar waren sierduiven zoals tuimelaars en hoogvliegers erg populair. Amsterdam was een echte duivenstad maar ook elders in het land waren talrijke duiventillen te vinden. Kroppers komen al eeuwenlang in Nederland voor zoals de Hollandse kropper. Op oude schilderijen zijn de Oudhollandse Kapucijn, Oudhollandse meeuwtje en de Nonduif te zien. Recenter is de Hyacinthduif, een kleurduif.

Rassen voor de buitenplaatsen

Op landgoederen en heerboerderijen was het Lakenvelder rund het pronkdier (18e en 19e eeuw). Het was een sieraad voor de parken rondom het landhuis. Ook sierhoenders waren geliefd op buitenplaatsen. Dat waren kippen waar men mee voor de dag kon komen en die veel gespreksstof opleverden. Kippenrassen die opvielen door hun kuiven en baarden waren populair op een landgoed. Rassen zoals Baardkuifhoenders, Uilebaarden, Hollands Kuifhoen, Brabanters en statige Kraaikoppen waren echte pronkdieren. Maar ook krielrassen werden als iets bijzonders gezien. De Sabelpootkriel en de Hollandse kriel hebben al oude papieren als sierkip.

Naast jachthonden was in adellijke kringen en bij de gegoede burgerij het Markiesje populair, een authentieke Nederlands Spaniël (Spioen). Deze zogenaamde ‘vrouwenhondjes’ deden dienst als kruik en ze hielden het ongedierte uit de slaapkamer. Het ras kwam al voor in de Middeleeuwen en we zien het terug op oude schilderijen. Een Spioen was van oorsprong donker van kleur met witte aftekening en zijn naam verwijst naar een Spaanse afkomst. De Nederlandse Spioen is de voorloper van meer Nederlandse rassen waaronder de Drentse Patrijshond, de Friese Stabyhoun en het Kooikerhondje.

Groningen

In Groningen vindt men klei maar ook veen. Dat had invloed op de rassen die daar voorkwamen. In Oost-Groningen werden op de veengronden van Westerwolde Drentse heideschapen gehouden. Daarnaast kwam in Groningen en Oost Friesland ook het Groninger schaap voor maar dat ras is uitgestorven.

Mogelijk kwamen vroeger ook bonte geiten voor in Groningen op dijken en kaden.

Het rund dat vooral in Noord Groningen, in het Westerkwartier, gehouden werd was de Groninger blaarkop. Het is een stevig gebouwde zwarte of rode koe met karakteristieke zwarte of rode blaren rondom de ogen. Dit ras werd gebruikt voor zowel vlees- als melkproductie. Tegenwoordig is het ras populair in de biologische melkveehouderij.

Het Groninger paard is een middelzwaar paard dat oorspronkelijk in de landbouw gebruikt werd en als koetspaard. Vooral in de akkergebieden op de zwaardere (klei)gronden werd dit paardenras gehouden, in Groningen maar ook in de aangrenzend gebieden van Friesland en Drenthe. Ook het Friese paard kwam hier voor.

Het puimvee dat typerend is voor deze provincie is het kippenras de Groninger meeuw. De Groninger Meeuw is beschreven vanaf het begin van de vorige eeuw. Er zijn ook een aantal omschrijvingen gevonden van een tweede ras begin 1900, het Groninger nuthoen.

Daarnaast is het duivenras de Groninger slenk afkomstig uit deze provincie. Dit is een vliegduif met een karakteristieke houding en manier van vliegen.

Friesland

Friesland kent veel streekeigen rassen. In het centrum ‘t Griene Nest’ te Suameer zijn deze rassen te bewonderen.

Het Roodbont Fries vee is een rode kleurvorm van het Fries-Hollandse vee. Het kwam eeuwenlang voor binnen de populatie van het Fries-Hollands vee. Voor 1800 bestond de Friese veestapel hoofdzakelijk uit roodbonten, maar door de import van zwartbont vee uit Denemarken werd de kleur zwart overheersend, Omdat vanuit Amerika vooral vraag was naar zwartbont vee, besloot het het Nederlands rundveestamboek vanaf 1906 de rode kleurvorm niet meer toe te laten tot het stamboek. Sindsdien is het Roodbont Fries vee sterk achter uitgegaan. Het verspreidingsgebied van dat ras beperkte zich tot Noord-Nederland en in het bijzonder Friesland. Daarnaast deelt Friesland met Holland het zwartbonte Fries-Hollands vee. Beide rassen zijn dubbeldoelkoeien. Waarschijnlijk kwam de kleurslag Witrik ook regelmatig voor in Friesland, getuige de naam: Wytèch.

Friesland had van oudsher drie schapenrassen die, afhankelijk van de grondsoort van een streek, daar gehouden. Het Fries melkschaap is in de 16e en 17e eeuw ontstaan uit diverse kruisingen en selecties. Het werd hoofdzakelijk gehouden op de voedselrijker graslanden op de kleigronden en klei-op-veengronden (zowel binnen als buitendijks). In de Woudstreek waren Drentse heideschapen populair. Het Zwartblesschaap is waarschijnlijk nog voor 1900 ontstaan uit de Schoonebeeker en het Bentheimer schaap en in mindere mate het Fries melkschaap. In die tijd werden de meeste lammeren uit Schoonebeek door Friese kooplieden opgekocht voor de bekende markt te Norg, waar ze werden doorverkocht aan boeren uit noordelijk Friesland, waar de goede graslanden voor een snelle groei zorgden. Onder deze lammeren zaten nogal wat zwartblessen. Enkele boeren hebben hiermee doorgefokt. Uit deze lijnen is een groot deel van de hedendaagse zwartblespopulatie voortgekomen.

De Nederlandse landgeit heeft in Friesland weliswaar niet zijn oorsprong maar werd vroeger wel veel gehouden in deze provincie.

Het Friese paard (Fryske Hynder) is ons oudste inheemse ras. Hoewel het mogelijk al in de Middeleeuwen als koudbloedig paard bestond, is het huidige Friese paard ontstaan in de 16e eeuw als kruisingsproduct van deze koudbloedige paarden met warmbloedige Spaanse paarden. Het was in de periode tussen de 16e en de 19e eeuw het meest voorkomende paardenras in Friesland.

Het Friese paard werd als rijpaard, voor harddraverijen korte afstanden gehouden en als trekpaard in de landbouw gebruikt. Bij het fokken van het Friese paard is men eind 19e en begin 20e eeuw zich meer op zwaardere paarden gaan richten i.v.m. het trekken van zwaardere landbouwmachines.

Friesland heeft ook een eigen landhoen. Het Fries hoen is het ras dat het boerenerf bevolkte. Het ras kent een groot aantal kleurslagen.

Typisch Friese hondenrassen zijn de Friese stabij en de Wetterhoun, beide zijn jachthonden.

Drenthe

Niet alleen in Noord- en Centraal Drenthe kwamen kuddes Drents heideschapen voor maar ook in Zuidwest- en Oost-Drenthe. Van het oude type zijn er nog maar weinig exemplaren over. De Drentse heideschapen van tegenwoordig behoren tot een min of meer modern type dat is ontstaan uit het oude type en het Schoonebeeker heideschaap. Binnen het Drentse heideschaap onderscheidt men kleurslagen als voskleurig, wit en zwart.

In Zuidoost- Drenthe werd een lokaal en vrij nieuw heideschapenras ingezet, de Schoonebeeker. Het is mogelijk ontstaan door kruising van het Drentse heideschaap met een schapenras uit het Bentheimerland (inclusief de regio van Lingen), Munsterland en Noord-Twente. Deze Bentheimer schapen waren hoogproductiever en vereisten iets betere graslanden, zoals op het afgegraven hoogveen. Ze werden ook Munikken genoemd.

In Drenthe werd ook de Nederlandse landgeit gehouden. Om de melkgift te verbeteren werden landgeiten gekruist met de uit Zwitserland afkomstige Toggenburgers. Zo ontstond hier de Nederlandse Toggenburger. Deze populatie is zo lang op zich zelf staand geweest, dat deze variant van de Toggenburger inmiddels een apart ras is geworden.

In Drenthe werden van oudsher zowel Friese paarden als Groninger paarden ingezet voor het werk op het land en als koetspaard.

In Drenthe hebben ook een aantal kleindieren hun oorsprong. Op het boerenerf werden het Drents hoen en de variant daarvan, de Drentse bolstaart gehouden. Een konijnenras met een opvallende oranje kleur dat in deze provincie is gefokt, is het Thrianta konijn, Triantha is de oude naam voor Drenthe.

Een van de oudste Nederlandse hondenrassen, de Drensche patrijs, is afkomstig uit Drenthe. Het ras stamt af van de Spaanse spioen. Deze jachthond is te vinden op schilderijen uit de 17e eeuw en ook in literatuur wordt dit dier beschreven als een onverschrokken hond uit Drenthe, die beschermd werd door zijn dichtbehaarde vacht.

Overijssel

In Noorden van Overijssel (Gramsbergen, Vriezenveen) werden Schoonebeeker schapen aangetroffen. Dit ras graasde ook op de beekdalgraslanden (o.a. Vechtdal). In Salland en Twente trof men een, waarschijnlijk moderne variant, van Drentse heideschapen aan. Het is mogelijk dat Veluwse heideschapen ook op de heidevelden van Overijssel tussen Deventer en Almelo gehouden werden (al dan niet gekruist met Drentse heideschapen). Er kwamen van oudsher in de provincie kruislingen voor van Veluwse en Drentse heideschapen, die aangeduid werden als “brikken”. Het is niet bekend of er van dit type heideschaap nog exemplaren leven.

Op de zandgronden waren ook Nederlandse landgeiten populair. In het noordwesten van Overijssel werden ook Friese paarden gehouden.

Het MRIJ vee werd op de uiterwaarden van de IJssel gevonden. Het Brandrode rund, oorspronkelijk en kleurslag van het MRIJ vee trof men ook in Overijssel aan op de graslanden rondom de IJssel en in Twente. Beide rassen zijn dubbeldoelkoeien maar tegenwoordig wordt het Brandrode rund vooral; ingezet voor natuurbegrazing. Vlakbij de Duitse grens werd in Twente vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw het Bonte Bentheimer landvarken gehouden.

Twente kent van oudsher een tweetal nutvogelrassen: de Twentse hoenders die met hun fiere houding verraden dat ze van vechthoenders afstammen en de Twentse landgans. Dit laatste ras ontstond toen boeren in de natte streken rond Delden ganzen van overal opkochten en in die streek lieten grazen. Voor vee wat het te nat maar watervogels redden zich daar prima. De ganzen werden als ze vetgemest waren, naar Rotterdam gebracht (eerst te voet en later per trein). Vanaf die stad werden ze verscheept naar Engeland waar de gans een welkome kerstbout vormde.

In het westelijk deel van de provincie op de grens met Gelderland, werd in de eerste helft van de vorige eeuw na het succes van de Barnevelder, een eigen versie van een bruine eieren leggende kip gefokt: de Welsumer kip.

Gelderland

Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van het Gelderse paard omvatte het landbouwgebied in de provincie Gelderland zoals de IJsselvallei, randgebieden van de Veluwe, Over-Betuwe, Lijmers, Bommelerwaard en Achterhoek. Ook in de aangrenzende provincies kwam het Gelderse paard soms voor. Doordat het paard moest werken op de zandgronden was het lichter gebouwd dat het zwaardere trekpaard.

Het Maas-Rijn-IJssel-vee is genoemd naar de rivieren waartussen het ras werd ontwikkeld. Het is in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld uit lokale rassen uit dit gebied en geïmporteerd ‘Munstervee’ uit Duitsland. Dit ‘Munstervee’ werd overigens ook al in de 18e eeuw in de oostelijke provincies geïmporteerd en is waarschijnlijk voor het ontstaan van meer lokale typen in deze regio van belang geweest. In de Liemers (Lijmers) en Achterhoek, aansluitend op het Duitse Munsterland, werden vaak Brandrode runderen gehouden. Naar dit laatste gebied zijn in de vorige eeuw veel dieren geëxporteerd. Het is niet bekend of daar nog dieren met deze kleurslag voorkomen. Daarnaast waren er ook op bescheiden schaal boeren die Lakenvelders hielden. Witrikken die in Gelderland gehouden werden kregen namen zoals spikkel, streeprug, ruggeling, aalstreep of stippeltje.

Op de heidegronden van de Veluwe kwamen al eeuwenlang Veluwse heideschapen voor. De lammeren van het Veluwse heideschaap werden veel gebruikt voor het afmesten op voedselrijke graslanden langs de IJssel, Gelderse Vallei, Over-Betuwe en de Liemers (Lijmers). Er is een variant van het Veluwse heideschaap bekend  uit de Tielerwaard; het zogenaamde Burensche schaap. Dit ras is uitgestorven. Op de zandgronden was de Nederlandse landgeit populair. De geit had ook wel de naam: Veluwse landgeit. In Gelderland kwam ook de Bonte geit voor.

Bijzonder is het ontstaan van het Barnevelder hoen. Toen de graanprijzen dramatisch zakten rond 1900 bedacht men in Barneveld een alternatief verdienmodel: kippen goedkoop graan voeren en een gewild ei in de markt zetten. De kip die voor dat doel gefokt werd, was het Barnevelder hoen. Dat ras legde veel grote bruine eieren en werd wereldberoemd. Ook op een andere plaats probeerden boeren het succes van de Barnevelder te evenaren. In de dorpen rondom Welsum werden zowel in Gelderland als Overijssel in het begin van de vorige eeuw Welsumer kippen gefokt die bruine eieren legden. Een kippenras dat al eeuwen eerder voorkwam in deze provincie was de Kraaikop. Dit hoen heeft een statig uiterlijk, staat hoog op de poten die bevederd zijn. Kenmerkend zijn de zogenaamde gierhakken, stijve veren aan de poten die schuin naar beneden staan. Het dier heeft geen kam en de kop lijkt op die van een kraai.

Twee konijnenrassen vinden hun oorsprong in de Gelderland. Deil bracht de Deilenaar voort, een konijn met een haaskleur. In Ingen werd in het begin van de 20e eeuw het Havana konijn gefokt. Omdat in de ogen van dit ras vaak een vuurgloed te zien is, wordt het ras ook wel Ingense vuuroog genoemd. Gelderland heeft van oudsher ook een eigen duivenras, de Gelderse slenk. Dit ras was in de 19e en 20e eeuw enorm populair onder duivenhouders in plaatsen zoals Nijmegen, Arnhem, Zutphen en Elst.

Utrecht

Deze provincie kent van oudsher een grote verscheidenheid aan runderrassen en kleurslagen. Het gebied langs de Oude Rijn was een Groninger blaarkoppen streek. De Witrik kwam oorspronkelijk in het Utrechtse veenweidegebied voor. Daar werden ze aangeduid met de naam aalstreep of ruggelder. Ook behoort Utrecht tot het historische verspreidingsgebied van de Lakenvelder in ons land en langs de grote  rivieren werd het MRIJ rund gehouden.

Uit historische bronnen blijkt dat de kleurslag vaal al in de late middeleeuwen (1344) vaak voorkwam, maar vooral in de 16e en 17e eeuw. Op schilderijen hadden meer dan 50% van de afgebeelde runderen de vale kleurslag. Sinds de 17e eeuw is dit percentage sterk afgenomen. Binnen het verspreidingsgebied van de Witrikken en MRIJ-runderen kwam deze kleurslag minder vaak voor. In Utrecht werd ook Fries-Hollands vee gehouden. Daarbinnen kwam vroeger de kleurslag baggerbont redelijk vaak voor.

Op de aan de Veluwe grenzende zandgebieden zoals als Utrechtse Heuvelrug werden Veluwse heideschapen gehouden. Als aangrenzende provincie van Gelderland kwam het Gelderse paard hier ook wel voor.

Noord-Holland

In Noord-Holland kwamen van oudsher verschillende runderrassen voor. Uiteraard trof men hier het zwartbonte Fries-Hollands vee het meest aan, maar in de weidegebieden van Holland kwamen ook Lakenvelders voor. Uit een boedelbeschrijving van een klooster in de buurt van Monnickendam blijkt dat in de 14e eeuw blaarkoppen en witrikken deel uitmaakten van de veestapel. Dus ook die veeslagen waren in Noord-Holland bekend, maar in de 20e eeuw was Noord-Holland geen blaarkopstreek meer. Tot in de 18e eeuw was vaal en vaalbont een veelvoorkomende kleurslag. Binnen het Fries-Hollands vee kwamen ook wel baggerbonten voor totdat net voor 1900 deze kleurslag uit de gratie raakte en baggerbont uit de veestapel gefokt werd. Mogelijk is er ook Roodbont Fries vee gefokt in West Friesland (Noord-Holland).

In het Zuidoosten van Noord-Holland, het Gooi, kwamen Veluwse heideschapen voor zoals te zien is op het beroemde schilderij van kunstschilder Anton Mauve. Op het eiland Texel werden van oudsher veel melkschapen gehouden, maar al halverwege de 19e eeuw werden deze melkschapen door kruising met Engelse vleesschapen (Lincoln en Leicester, Wensleydale, Cotswold, ‘Downrassen’) gewijzigd in het moderne type Texels schaap. Dit nieuwe Texelse schaap is primair een vleesras dat momenteel in geheel Nederland wordt aangetroffen. Een kleurslag van dit ras, de zogenaamde Blauwe Texelaar, is zeldzaam. Het oorspronkelijke oude type Texelse schaap is uitgestorven.

Op het voormalige eiland Wieringen, op het eiland Griend (18e eeuw) en op het vasteland van Noord-Holland (vooral de kop van Noord-Holland en West Friesland) kwamen eveneens lokale melkschapenrassen voor die beroemd waren vanwege hun schapenkaas. Deze schapen waren mogelijk varianten van het Texelse schaap en zijn geheel uitgestorven.

In Noord-Holland begraasden bonte geiten wel dijken en kades.

Noord-Holland is ook de bakermat van een respectabel aantal kleindieren. Zo waren in de waterrijke poldergebieden de Noord-Hollandse Witborsteenden en krombekeenden een vertrouwd gezicht. Ze zijn al te zien op schilderijen van Albert Cuyp. Rond 1900 werden ze gehouden voor de eieren. Ze waren beroemd om hun hoge eierenproductie.

Het Assendelfter hoen is ontstaan in het laagveengebied rond de Zaanstreek. Daar was het een gangbare boerderijkip (het boerengeeltje) die veel weg had van het Friese hoen. De dieren waren meegenomen door beurtschippers die regelmatig tussen Noord-Holland en Stavoren voeren. Zo werd dat een trefpunt van Friese Hoenders en Assendelfters. Zeer waarschijnlijk zijn het alle twee afstammelingen van dezelfde voorouders. Er wordt van uitgegaan dat de Assendelfter één van de voorouders van het Hollands Hoen is, dat uit Noord-Holland afkomstig is.

Ten Noorden van het IJ kwamen rond 1875 ‘blauwe’ (koekoekkleurige) kippen voor. Op de Amsterdamse markt was er in die tijd veel vraag naar slachtkippen en kuikens met wit vlees. De Mechelse koekoek werd daarom ingevoerd maar die kon zich niet handhaven in het gebied rond Amsterdam. Daarom werd dat ras ingekruist met kippen uit de streek rond Amsterdam. Daaruit ontstond het Noord- Hollands hoen. Het is een echt zwaar vleesras.

Amsterdam was van oudsher een duivenstad. Daar zijn veel rassen ontstaan uit duiven die oorspronkelijk uit het Oosten waren meegebracht door kooplieden. Typisch Amsterdamse duivenrassen zijn bijvoorbeeld de Amsterdamse tuimelaar of de Amsterdamse tippler. Maar ook de Oudhollandse tuimelaar en Nederlandse Hoogvlieger hebben in Amsterdam hun oorsprong. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden is de Hagenaar ook een inmiddels zeldzaam duivenras dat uit Amsterdam afkomstig is.

Zuid -Holland

Het Fries-Hollands vee is een veeras dat Zuid-Holland met Friesland deelt. De kleurslag baggerbont kwam vroeger waarschijnlijk voor in Zuid-Holland binnen het zwartbonte vee. Datzelfde geldt voor valen en vaalbonten.De Witrik kwam oorspronkelijk het meest voor in de Alblasserwaard en op de Zuid Hollandse eilanden. Ze hadden de naam witruggel of ruggel(ing). Daarnaast waren er ook boeren in Zuid-Holland die Lakenvelders hielden. De streek die nu het Groene hart heet was bekend om zijn Groninger blaarkoppen. Boeren uit die streek kochten dat vee vaak uit Groningen aan.

In Zuid-Holland kwam, weliswaar minder vaak als in Midden- en Oost-Nederland, de Nederlandse landgeit voor. Terwijl de Bonte geit zijn oorspronkelijke verspreiding vooral in Zuid Holland en Zeeland had. Het lijkt er op dat de bonte geiten vooral gehouden werden op veen- en kleigronden o.a. dijken en kaden.

Voor Zuid-Holland zijn de zogenaamde Hollandse kippenrassen kenmerkend zoals het Hollands hoen, Hollands kuifhoen en de Hollandse kriel. In de streek rond Lakerveld in de buurt van Lexmond werden Lakenvelderkippen gehouden. Of de kip naar de plaats Lakerveld is vernoemd of naar de aftekening van het rund met een wit laken is niet duidelijk. Twee konijnenrassen die vrij recente zijn (uit de vorige eeuw), vinden hun oorsprong in Zuid-Holland. De Gouwenaar is van een fokker uit Gouda en de Beige van een uit de Maasstad. Van de duivenrassen is uit Voorburg afkomstig een betrekkelijk jong ras afkomstig de zogenaamde Voorburgse schildkroppen.

Zeeland

Het rundvee dat in Zeeland het meest voorkwam was het Fries-Hollands vee, maar de Zeeuwse eilanden waren ook bekend om hun Witrikken. Daarnaast werden ook Lakenvelders gehouden in Zeeland. Op de zware klei was een trekpaard nodig dat stevig gebouwd was. Inj Zeeland vond men dan ook al euwen geleden trekpaarden, Het Nederlands trekpaad stamt af van het Zeuws trekpaard (dat lichter gbouwd was) en het zwaardere Belgische trekpaard.

Het Zeeuws melkschaap kwam voor op Walcheren, Noord en Zuid Beveland en West -Zeeuws Vlaanderen. Deze schapen werden gehouden op binnendijkse graslanden, graanstoppels en dijken en op buitendijkse grasgorzen. Het Zeeuws melkschaap is verwant met het Vlaams schaap (tegenwoordig Belgisch melkschaap genoemd).Het Zeeuws en Fries melkschaap zijn nauw verwant aan elkaar. In foktechnische zin worden het Fries en Zeeuws melkschaap als één populatie beschouwd. Het historische verspreidingsgebied van de Bonte geit was onder andere in Zeeland. 

Noord-Brabant

Oorspronkelijk kwam het Kempische heideschaap in Oost- en Midden Brabant voor. Maar al aan het begin van de 19e eeuw werd dit ras gekruist met Spaanse merino’s, Duitse landschapen en Engelse Lincoln respectievelijk Leicester schapen. Deze kruisingen werden regionaal toegepast waardoor er zogenaamde Peelschapen en Maasschapen ontstonden. Mogelijk is ook het Mergellandschaap een kruisingsproduct van het Kempische heideschaap.

Het Maas-Rijn-IJssel-vee is genoemd naar de rivieren waartussen het ras werd ontwikkeld. Het is in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld uit lokale rassen uit dit gebied en geïmporteerd zogenaamd ‘Munstervee’ uit Duitsland. Het Brandrode rund is van oorsprong een kleurslag van het MRIJ rund. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied omvatte naast de IJsselstreken en haar zijrivieren zoals Berkel en Regge ook Noord Oost Brabant (Meierij).

Brandrode runderen zijn niet zeer oud. De eerste melding stamt uit de 19e eeuw(o.a. Hildebrandt; 1839, Camera Obscura). Het komt voort uit het MRIJ-veeslag en de geschiedenis van de Brandroodrunderen loopt grotendeels paralel aan die van het MRIJ. Brandroodrunderen zijn binnen Nederland nooit algemeen geweest. Het is niet bekend hoeveel dieren er eind 19e en begin 20e eeuw gehouden werden, maar het zullen er mogelijk enige duizenden geweest zijn. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het aantal fokkers van Brandroodrunderen sterk afgenomen. Momenteel zijn er nog maar ca. 100 dieren van dit kleurslag aanwezig.

Het Nederlands trekpaard is nauw verwant met het Belgisch trekpaard. In België onderscheidde men binnen dat ras het Vlaamse type en de Brabander. Het trekpaard kwam ook veel in Brabant voor.

Noord-Brabant kent ook zijn eigen kippenrassen. De boerenkip was het Chaams hoen. Het hoen met allure was de Kraaikop (rond Breda vooral) en de Brabanter is al een oud ras dat vooral in Brabant gefokt werd.

Limburg

Het MRIJ vee werden gehouden op de rijke graslanden van het rivierengebeid in Noord Limburg (Rijn en Maasgebieden) maar ook in Zuid Limburg op de losgronden.

Binnen het MRIJ-veeslag was een kleurslag voor die als Brandroden bekend stonden, Daaruit is het ras het Brandrode rund onstaan. De ontstaangeschiedenis loopt grotendeels paralel aan die van het het MRIJ vee. Brandrode runderen zijn binnen Nederland nooit algemeen geweest en men weet biet hoeveel dieren er eind 19e en begin 20e eeuw gehouden werden, maar het zullen er mogelijk enige duizenden geweest zijn. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het aantal fokkers van Brandroodrunderen sterk afgenomen. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied omvatte naast de IJsselstreken ook Noord Limburg (Rijn en Maasgebieden).Waarschijnlijk kwamen ze ook voor in Zuid Limburg.

In Zuid Limburg kwam in beperkte aantallen het Glanerrund voor. Dit rund kwam tot de jaren vijftig van de vorige eeuw voornamelijk voor in de Eifel en Ardennen, maar is sindsdien min of meer uitgestorven. Sinds kort is dit runderras weer teruggefokt in het fokcentrum van het openluchtmuseum in Mechernich in de Eifel. Het is een geelachtig gekleurd rund dat zowel voor trekkracht als melk en vleesproductie gehouden werd.

Het Mergellandschaap kwam voor in het zuiden van Limburg (vooral in het gebied ten zuiden en westen van de Geul en ten oosten van de Nederlands-Belgische grens). Het werd vooral gehouden op de kalkgraslanden, holle wegen, bermen, driestgronden, boomgaarden en bossen, langs de randen van het lossgebied (mergelgronden).Waarschijnlijk werd een zwaarder en meereisend type van het Mergellandschaap in het Maasdal van Limburg gehouden.

In het noorden en midden van Limburg werden ook Kempische heideschapen gevonden.

In Limburg werden vroeger al veel trekpaarden gehouden en men betrok veel van die paarden uit België. Limburg is een van de zuidelijke provincies waar het Nederlands trekpaard ontstond.

Flevoland

Dit is een nieuwe provincie met een korte geschiedenis. Schokland en Urk zijn oude gedeelten en in de vorige eeuw is de inpoldering van de Noordoost polder al vrij vroeg begonnen. Voordat de Fresian Holsteinisering werd hier het Fries Hollands vee gehouden. En trekpaarden voor het zware werk in de landbouw.

Een schapenras met de naam Flevolander, maar in hoeverre dat ook met het gebeid van ontstaan heeft te maken is de vraag, omdat het ras een recent door de WUR ontwikkeld ras is.

——-

Note – Het bovengenoemde overzicht is voor wat de schapen, geiten, runderen en paarden betreft gebaseerd op het onderzoek van Harm Piek: Historische geografie van zeldzame landbouwhuisdieren in Nederland

Snel naar

Over

Fokkers

Houders en beheerders

Beleven en laten beleven

Meedoen

©2017 Communicatiebureau de Lynx
×