Twentse landgans

"In Coevorden laat het beeld van de ganzenhoedster zien hoe belangrijk de handel in ganzen is geweest"
1

Kenmerken

  • Geschikt voor educatie, huisdier en hobby en landbouw
  • Kan gehouden worden in een erf met veel grond en grote tuin
  • Oorsprong van dierenras ligt in Gelderland en Overijssel

Status

  • Risico: Kritiek
  • Aantal ganzen: 80
  • Trend laatste 15 jaar: stabiel

Gebruik

De Twentse landgans is het enige overgebleven Nederlandse ganzenras en behoort tot het type landgans. Deze sierlijk ganzen zijn niet te zware, geharde en vruchtbare dieren die al vroeg in het seizoen eieren leggen en kuikens leveren. Ze passen goed in laaggelegen, natte gebieden, ook wel broeklanden genoemd. De Twentse landgans heeft zeer smakelijk vlees en gezien de kwaliteit en authenticiteit van dit ras is er eind 2016 een Slow Food presidium opgericht.

Uiterlijk

Twentse landganzen zijn beweeglijk en licht tot middelzwaar gebouwd. Deze gans komt voor in de kleurslagen wit en bont, waarvan de bonte dieren alleen aftekeningen hebben op de rug, flanken en kop. De ogen zijn ogen helderblauw met lichtoranje oogleden. Bij de bonte gans zijn de snavel en poten ook oranje terwijl deze bij witte ganzen geeloranje zijn.

De gans heeft een iets opgerichte houding en de hals wordt rechtop gedragen. De Twentse landgans heeft geen wammen (huidplooien) aan buik en keel. De vleugelpunten raken elkaar op de staart. De Twentse gent weegt 4 tot 5 kilo en de gans 3,5 tot 4,5 kilo.

Achtergrond

In de 2e helft van de 19e eeuw nam in het oosten van Nederland (met name in Twente en de Achterhoek) de ganzenteelt in omvang toe. De Twentse boeren legden zich toe op het fokken van een ganzentype waarvan de economische bijdrage het hoogst was en zo ontstond de Twentse landgans. Omstreeks 1850 was er in Enter een groeiende handel in eenden en ganzen en kocht men alle dieren in de omgeving op voor export naar het buitenland. Voordat de spoorwegen werden aangelegd gingen ganzenhoeders met de dieren te voet naar Rotterdam voor de overtocht naar Engeland.

In de Eerste Wereldoorlog viel de export stil, de lage slachtprijzen en de ontwatering van de broeklanden betekenden de doodsteek voor de fokkerij. Na 1945 was het gedaan en stierven de weinige oude inheemse landganzen rassen uit. Op één na, de Twentse landgans heeft het overleefd, waarna een fokkersgroep zich over het ras heeft ontfermd.

Een specifieke vraag?