Zeldzame rundvee- en schapenrassen bij een nieuw stikstofbeleid
De nieuwe stikstof- en grondgebondenheidsplannen kunnen gevolgen hebben voor o.m. de zeldzame Nederlandse rundvee- en schapenrassen. In de Kamerbrief van de minister wordt voor de melkveehouderij een grondgebondenheidsnorm genoemd van maximaal 2,6 GVE per hectare, met 2035 als streefjaar waarin dit gerealiseerd moet worden. Daarnaast wordt gewerkt aan emissiereductie, extensivering en gebiedsgerichte maatregelen rond kwetsbare Natura 2000-gebieden. Veel onderdelen moeten nog verder worden uitgewerkt, maar duidelijk is wel dat grond, stalruimte, fosfaatrechten en vergunningenruimte in de komende jaren nog belangrijker worden.
Kansen voor zeldzame rassen
Voor een deel van de zeldzame rassen kan deze ontwikkeling ook gunstig uitpakken. Veel oorspronkelijke rassen passen in principe goed bij een meer grondgebonden en extensieve veehouderij. Het gaat dan om rassen die vaak soberder zijn, ruwvoer goed benutten, geschikt zijn voor beweiding en daarnaast meerwaarde kunnen hebben door hun vleeskwaliteit of regionale herkenbaarheid. Dat geldt bijvoorbeeld voor rundveerassen als Fries-Hollands vee, Maas-Rijn-IJssel, Blaarkop, Brandrood rund en Lakenvelder, maar ook voor schapenrassen zoals het Drents heideschaap, Veluws heideschaap, Schoonebeeker, Mergellandschaap en Kempisch heideschaap.
Risico op verdringing bij runderrassen
Daar staat wel een belangrijk aandachtspunt tegenover. Als een melkveehouder minder dieren per hectare kan houden, wordt het economisch aantrekkelijker om met de beschikbare GVE’s zo veel mogelijk kg melk, vet en eiwit te realiseren. In zo’n situatie kunnen melktypische rassen zoals Holstein en Jersey bedrijfseconomisch aantrekkelijker worden dan de oorspronkelijke dubbeldoelrassen, die gemiddeld minder melk per GVE leveren. Dit risico is vooral relevant voor Fries-Hollands vee, Fries Roodbont vee, MRIJ en Blaarkop. Deze rassen worden voor een belangrijk deel gehouden op commerciële melkveebedrijven en weinig hobbymatig. Als juist deze bedrijven bij schaarser wordende ruimte overstappen op melktypische rassen, kan het aantal dieren van de oorspronkelijke rassen verder afnemen.
Verdringing is daarmee een reëel risico. Het behoud van deze rassen kan niet alleen steunen op hobbymatige fokkers. De commerciële bedrijven zijn juist nodig om voldoende fokmateriaal en voldoende genetische spreiding te behouden, onder meer om voldoende stieren in te kunnen zetten en te testen. Voor deze bedrijven moet het daarom ook bedrijfseconomisch verantwoord blijven om met oorspronkelijke rassen te blijven werken.
Stikstofbeleid en schapenhouderij
Voor zeldzame schapenrassen ligt de situatie deels anders. Schapenhouderij is vaak extensief en speelt een belangrijke rol bij begrazing van natuurterreinen, dijken, heidevelden en kleinschalige landschappen. Bij de beoordeling van de schapenhouderij zou daarom ook moeten meewegen dat begrazing kan bijdragen aan biodiversiteit, verschraling, zaadverspreiding, landschapsbeheer en behoud van levend cultureel erfgoed. Wel kunnen nieuwbouw van stallen, uitbreiding of een sterke groei van het aantal dieren in de buurt van Natura 2000-gebieden het verkrijgen van vergunningen extra bemoeilijken.
Lees meer over schapen en de nieuwe stikstofplannen in de notitie van Platform Kleinschalige Schapen- en Geitenhouders (KSG)
De conclusie is dat zeldzame rassen in het nieuwe beleid zowel kansen als risico’s hebben. De kans ligt in hun geschiktheid voor extensieve, grondgebonden en natuur-inclusieve systemen. Het risico is dat bij schaarser wordende ruimte nog sterker wordt geselecteerd op maximale productie per GVE. Tot slot is het goed om op te merken dat er nog de nodige onduidelijkheden over de stikstofplannen zijn en dat politieke besluitvorming over deze plannen nog moet plaatsvinden.
