logo SZH

Twentse landgans

RasbeschrijvingTwentse Landgans

De Twentse landgans is het enige Nederlandse ganzenras dat er nog is.  Het behoort tot het type landgans. De dieren zijn beweeglijk en licht tot middelzwaar gebouwd.  De ogen zijn ogen helderblauw met lichtoranje oogleden.

De snavel en poten zijn oranje bij de bonte gans en geeloranje bij de witte gans. De gans heeft een iets opgerichte houding en de hals wordt rechtop gedragen. De Twentse landgans heeft geen wammen (huidplooien ) aan buik en keel. De vleugelpunten raken elkaar op de staart. De Twentse landgans komt voor in de kleurslagen wit en bont. De bonte dieren hebben vaak alleen aftekening op de kop, op de rug en op de flanken. De koptekening mag niet doorlopen in de hals. Het ras kenmerkt zich door een vroege leef (al vanaf december). De Twentse gent weegt 4 tot 5 kilo en de gans 3,5 tot 4,5 kilo.

Geschiedenis

In de 2e helft van de 19e eeuw nam in het oosten van Nederland (met name in Twente en de Achterhoek) de ganzenteelt in omvang toe. De Twentse boeren legden zich toe op het fokken van een ganzentype waarvan de economische bijdrage het hoogst was. De gans diende een niet te zwaar landganstype zijn, gehard, vruchtbaar en vroeg aan de leg te zijn. Zo ontstond de Twentse landgans. De gans gedijde uitstekend op de broeklanden (laaggelegen natte gebieden). Omdat in de natte gebieden rond Wierden en Goor een goede grasoogst niet mogelijk was, ging men daar bedrijfsmatig ganzen houden.  Omstreeks 1850 ontstaat in Enter de handel in pluimvee, met name ganzen en eenden. Het is niet bekend waarom deze handel zo plotseling kon ontstaan, maar het is een feit dat in 1853 in Coevorden, waar een grote ganzenmarkt was nauwelijks nog ganzen aangevoerd werden. In Enter  kocht men alle ganzen in de omgeving tot het Duitse grensgebied toe op. Al spoedig werden duizenden ganzen naar Engeland en Duitsland (tot in Oost-Pruisen toe) verhandeld.

In de Eerste Wereldoorlog viel de export stil; de lage slachtprijzen en de ontwatering van de broeklanden betekenden de doodsteek voor de fok. Na de economische recessie van de dertiger jaren beleefde de ganzenteelt nog één maal een hoogtepunt, maar na 1945 was het gedaan. Daarna stierven de weinige oude inheemse rassen, zoals de Twentse landgans, de Groninger, de Noord- Hollandse gans en de Zuidenaar uit. De fokkersgroep van de Twentse landgans heeft zich daarna over het ras ontfermd.

Fokcentra

Fokcentrum Herinckhave, Fleringen.

Informatie

Nederlandse Vereniging voor Gedomesticeerde Watervogelfokkers
Website

Benieuwd hoe zeldzaam dit ras is? Op de pagina ‘Rassen’ kan je het overzicht downloaden met aantal geregistreerde vrouwelijke fokdieren, trend en status van dit ras.

Snel naar

Over

Fokkers

Houders en beheerders

Beleven en laten beleven

Meedoen

©2018 Communicatiebureau de Lynx
×