logo SZH

Fries Hoen

RasbeschrijvingFries Hoen - goudpel - foto

Friese hoenders zijn licht gebouwde landhoenders met een tamelijk brede, goed afgeronde en hooggedragen borst. Dit laatste onderscheidt het type van het Drentse hoen. Door de opgerichte houding bevinden kop en staart zich ongeveer op dezelfde hoogte. Het ras komt als groot hoen en als dwerghoen voor. Deze nekelkammige hoenders werden aanvankelijk “Friesche Pellen” genoemd. Deze naam hadden zij te danken aan hun ’peltekening’. Bij Friese hoenders is de peltekening ovaalvormig, zoals bij een tarwekorrel. (In het Fries worden ze ’weiten hintsjes’ genoemd. Weit is het fries voor tarwe).Omdat binnen dit ras ook eenkleurige variëteiten (dus zonder peltekening) werden gefokt, heeft men besloten de naam ’pel’ voor dit ras niet meer te gebruiken.

Het Fries Hoen kan erg goed vliegen en heeft de naam nogal schrikachtig te zijn. Het kent twee kleurgroepen: de gepelde en de overige. De pellen bij de Friese hoenders bestaan uit zwarte of witte tarwekorrelvormige dopjes op gelijke hoogte aan weerszijden van de veerschacht.Het Friese Hoen kent verschillende kleurslagen: goudpel, zilverpel, roodpel, citroenpel, geelwitpel en roodbont in de pellen en zwart, wit, blauw, koekoek, zwartbont en zandgeel. Opvallend van kleur is de roodpel. De grondkleur is glanzend roodbruin met een zwarte pelling op de dekveren bij de hen. De zandgelen, die in januari 2001 officieel zijn erkend, hebben een geheel eigen kleur. Het Friese hoen is relatief klein en legt met weinig voer veel eieren. In de dertiger jaren van de 20ste eeuw stond het Friese hoen bekend als ’de legkip van ’t noorden’. Ze zijn daarbij sober en gehard en bezitten een grote weerstand tegen allerlei ziekten.

Geschiedenis

Uit terpvondsten is gebleken dat er al sinds het begin van onze jaartelling een soort Friese Hoenders werden gehouden. De gevonden beenderen vertoonden grote gelijkenis met die van de Friese Hoenders rond 1900. Verder is er een 17e eeuws schilderij bekend waarop Friese Hoenders staan. Het (kust) gebied van Noord-Frankrijk tot in Noord-Duitsland staat, wanneer het in de geschiedenisboeken gaat over de zevende en het begin van de achtste eeuw, bekend als ‘Groot-Friesland’, omdat in die tijd die hele kuststrookbewoond werd door Friezen. In datzelfde gebied komen nu nog hoenders voor die in vorm en tekening op elkaar lijken.. Er kan dan ook gezegd worden dat het tegenwoordige Fries Hoen voorlopers heeft in, en zeer nauw verwant is aan de rassen die van ouds op het grondgebied ‘Groot-Friesland’ voorkwamen.

Na 1900 werd de positie van de Friese hoenders langzaam maar zeker zwakker. Dat kwam door de import van de zogenaamde ‘nutsrassen’. De hennen van die rassen, zoals Leghorn, Minorca en Wyandotte, legden grotere en meer eieren. Bovendien waren de dieren beter bevleesd en daardoor ook uiterst welkom in de pan. Beide factoren waren van groot belang voor degenen die juist in deze tijd van de hoenderhouderij hun beroep gingen maken. Met de ‘nieuwe’ rassen konden hogere opbrengsten worden behaald en op die wijze kon een bestaan in de hoenderhouderij worden opgebouwd.

Toen het er in het begin van de jaren twintig slecht voor kwam te staan met het Friese ras, was dat voor enkele echte liefhebbers de rede om in januari 1922 ‘De Fryske Hinneklub’ op te richten. Vooral in de jaren dertig hebben leden van die club alle zeilen bijgezet om de verloren gegane kleurslagen weer opnieuw terug te fokken. Daartoe werden vele boeren erven ‘afgestroopt’ op zoek naar hoenders, die nog iets van de kleurslagen bezaten die teruggefokt dienden te worden.

Fokkerijorganisaties

Friese Hoender Club
Secretaris: K. Annen
Tel: 06 5159 4531
Mail: friesehoenderclub@gmail.com
Website

Snel naar

Over

Fokkers

Houders en beheerders

Beleven en laten beleven

Meedoen

©2017 Communicatiebureau de Lynx
×